Op je 35ste ga je twee keer per week hardlopen. Je voelt een ongemak in de knie, raadpleegt een arts, en het woord ‘artrose’ valt. De reactie is vaak dezelfde: “Maar ik ben daar te jong voor”. Dat antwoord verdient enige nuance.
Bijna een derde van de personen bij wie knieartrose wordt vastgesteld, ervaart de eerste symptomen vóór de leeftijd van 40 jaar². En de aandoening zelf, die sinds tien jaar beter wordt begrepen, is niet meer helemaal zoals we ons voorstelden.
Het woord ‘artrose’ is lange tijd geassocieerd geweest met een mechanisme dat verslijt. Het huidige begrip is ruimer: het gewricht functioneert als een systeem, en artrose verstoort het algemene evenwicht ervan.
Het kraakbeen breekt af, maar tegelijk wordt het subchondrale bot hervormd, raakt het synoviaal vlies ontstoken en verzwakken de spieren eromheen. Ontstekingsmediatoren (cytokines, metalloproteasen) verschijnen en versnellen de afbraak.
Hierdoor verandert de behandeling. Er wordt niet alleen aandacht besteed aan het kraakbeen. Ook de ontsteking, spiermassa, uitlijning, beweging en het gewicht worden behandeld
Artrose ontstaat uit het samenspel tussen individuele factoren en de voorgeschiedenis van je gewricht.
Gewrichtsfactoren (voorgeschiedenis van het gewricht)
Twee personen van dezelfde leeftijd kunnen een heel verschillende vorm van artrose hebben, of helemaal geen artrose. Dat is een van de redenen waarom de behandeling altijd op maat wordt opgestart, in samenwerking met je huisarts, je reumatoloog, of een sportarts voor wie sportief actief is.

Wist je dit al?
Posttraumatische artrose verschijnt gemiddeld 8 tot 12 jaar na een breuk van de voorste kruisband of een meniscusletsel, zelfs na een operatie. Dat is een van de redenen waarom langdurige revalidatie en orthopedische opvolging even belangrijk zijn als de initiële operatie.
De diagnose van artrose wordt onder andere gesteld aan de hand van röntgenfoto’s. Uit onderzoek blijkt dat de pijn niet altijd evenredig is met de letsels die op medische beeldvorming zichtbaar zijn.
Dat verklaart waarom:
De pijn bij artrose is veelzijdig: ze hangt af van biologische mechanismen (lokale ontsteking) en mechanische factoren (het lichaamsgewicht), maar ook van neurosensorische factoren (persoonlijke pijngevoeligheid) en psychosociale factoren.
❝ Artrose komt niet neer op tijdsgebonden slijtage. Het is een aandoening die om uiteenlopende, vaak verweven redenen kan ontstaan, met name om genetische, traumatische, metabole en inflammatoire redenen. Identificeren welke factor overheerst, maakt het mogelijk om de behandeling aan te passen. ❞
Bij een deel van de patiënten blijft de pijn aanhouden ondanks een goed uitgevoerde behandeling (zoals aangepaste lichaamsbeweging, kinesitherapie, pijnstillers en infiltraties) gedurende meerdere maanden. Dat noemen we refractaire artrose.
Dit profiel is in de praktijk niet zeldzaam. Artrose omvat meerdere fenotypes (posttraumatisch, metabool, inflammatoir, femoropatellair) die niet allemaal op dezelfde manier reageren op conventionele behandelingen. En ja: je kan jong zijn, sportief, en toch refractaire artrose hebben, meestal in de nasleep van een knietrauma. Dat is geen persoonlijk falen, en evenmin een gebrek aan oplossingen, maar een vorm die om een gedetailleerdere aanpak vraagt.
Goed nieuws: er zijn oplossingen om het dagelijks leven te verbeteren, opnieuw te bewegen, minder pijn te hebben en zelfstandiger te worden.
In alle belangrijke internationale richtlijnen (OARSI, EULAR, enz.) wordt aangepaste lichaamsbeweging als eerste behandelingskeuze genoemd, nog vóór veel geneesmiddelen.
Waarom? Omdat lichaamsbeweging op verschillende niveaus werkt:
Wandelen, fietsen, zwemmen, aquagym, gerichte spierversterking, dansen, tuinieren: de meeste activiteiten blijven toegankelijk, op voorwaarde dat de intensiteit en de opbouw worden aangepast. Een kinesist kan een programma op maat van jouw profiel uitwerken.
Pijnstillers, ontstekingsremmers en infiltraties blijven nuttig, maar als eenmalige middelen. Dat moet je bespreken met je arts naargelang je profiel en comorbiditeiten.
Elk geval van artrose is uniek. Artrose geneest niet, maar ze kan worden behandeld. De therapeutische strategie wordt per geval bepaald, op basis van het klinische profiel. De informatie op Artrose Actief heeft een educatief doel en vervangt geen medisch advies: diagnose, keuze van behandelingen en hun aanpassing zijn uitsluitend de bevoegdheid van een zorgprofessional. Bij aanhoudende pijn of verergering van de symptomen, raadpleeg je arts.
— Organisation mondiale de la santé. Osteoarthritis. Fact sheet, juillet 2023.
— GBD 2021 Osteoarthritis Collaborators. Global, regional, and national burden of osteoarthritis, 1990–2020 and projections to 2050. The Lancet, 2024.
— Lieberthal J, Sambamurthy N, Scanzello CR. Inflammation in joint injury and post-traumatic osteoarthritis. Osteoarthritis and Cartilage, 2015.
— Kloppenburg M, Berenbaum F, et al. Osteoarthritis: epidemiology, risk factors and pathophysiology. The Lancet Rheumatology, 2024.
— Courties A, Sellam J, Berenbaum F. Osteoarthritis year in review: epidemiology and therapy. Osteoarthritis and Cartilage, 2023.
— Sellam J, Berenbaum F. The role of synovitis in pathophysiology of osteoarthritis. Best Practice & Research Clinical Rheumatology, 2023.
— Aubourg G, Rice SJ, Bruce-Wootton P, Loughlin J. Genetics of osteoarthritis. Frontiers of Medicine, 2025.
— Mandell BF, Lipani J. Refractory Osteoarthritis: Differential Diagnosis and Therapy. Rheumatic Disease Clinics of North America, 1995.
— Dell’Isola A, Recenti F, Giardulli B, et al. Osteoarthritis year in review 2024: epidemiology and therapy. Osteoarthritis and Cartilage, 2024.