“Nu word je toch echt oud”, ” Stop met lopen, je verslijt je knieën”, “Er valt toch niets aan te doen”…
Als je met artrose leeft, klinken deze zinnen je vertrouwd in de oren. Ze komen uit je omgeving, soms van een zorgverlener. Ze blijven in je hoofd rondspoken en gaan mettertijd mentaal doorwegen. Onderzoek toont aan dat ze zelfs, letterlijk, de pijn kunnen versterken. Dat noemen we het nocebo-effect.
Het placebo-effect is gekend: geloven dat een behandeling zal werken, kan zorgen voor een gevoel van verbetering, soms nog voor ze inwerkt. Het nocebo-effect is de tegenhanger ervan: negatieve verwachtingen kunnen de symptomen verergeren. Wanneer iemand ervan overtuigd is dat ‘zijn knie naar de vaantjes is’ of dat ‘bewegen alles zal verergeren’, komen meerdere verschijnselen tegelijk op gang:
→ Zo eenvoudig is het niet.
Het risico op artrose neemt toe na 50-55 jaar, maar leeftijd volstaat niet om de aandoening te verklaren. Veel oudere mensen ontwikkelen nooit artrose. Omgekeerd hebben volwassenen van 30 of 40 jaar er soms wel last van. Artrose ontstaat uit een combinatie van genetica, gewicht, eerdere trauma’s, beroep, en hormonen. Elk profiel is verschillend. De aandoening bagatelliseren op basis van de leeftijd stelt vaak een behandeling uit die het verloop nochtans kan ombuigen.
→ Artrose is veel meer dan alleen slijtage.
Het beeld van een scharnier dat verslijt klopt niet meer met wat we vaststellen. Onderzoek beschouwt artrose vandaag als een actieve aandoening van het volledige gewricht: kraakbeen, subchondraal bot, synoviaal vlies, ligamenten, en spieren.
Een biologisch onevenwicht (ontsteking, oxidatieve stress) kruist er een mechanische component. Concreet gevolg: we behandelen tegelijkertijd de spiermassa, het gewicht, de ontsteking en het gewrichtssmeer.
→ Het is eerder het tegenovergestelde.
Een recente systematische review bevestigt dat hardlopen de radiologische tekenen van artrose niet verergert op korte termijn, en dat het bescherming zou kunnen bieden tegen pijn in de knie. De belasting op de grond is groter tijdens het lopen, maar de contactduur is kort, waardoor de gecumuleerde belasting per kilometer beperkt is.
Belangrijke nuance: contactsporten, intensieve competitie of de hervatting na een trauma vragen om aanpassingen. De intensiteit, frequentie en opbouw bespreken met een sportarts of kinesist die gespecialiseerd is in knieartrose is nuttiger dan volledig te stoppen.
→ Niet noodzakelijk.
Een van de meest tegenstrijdige aspecten van de ziekte is dat de pijn niet in verhouding is met de letsels die we op de röntgenfoto’s zien. Sommige mensen leven met weinig pijn, maar hebben ernstige letsels op de beelden, terwijl anderen hevige pijn ervaren maar matige letsels op de medische beeldvorming vertonen.
De verklaring ligt in de aard van de artrosepijn zelf. Ze combineert biologische (lokale ontsteking), mechanische (belasting, uitlijning), neurosensitieve (perifere en centrale sensitisatie) en psychosociale (stress, slaap, gemoedstoestand) mechanismen. Het is ook het terrein van het nocebo-effect: doemdenken versterkt de pijnperceptie verder dan wat beeldvorming kan verklaren.

Wist je dit al?
Het placebo-effect is bijzonder uitgesproken bij artrose: in klinische studies over de knie meldt 30 tot 40 % van de patiënten onder placebo een aanzienlijke pijnvermindering¹. Een bijkomend argument om de psychologische en relationele dimensie van de consultatie als een volwaardig therapeutisch element te beschouwen.
→ Langdurige rust verergert de situatie.
Het is een begrijpelijke reactie: als het pijn doet, wil je het gewricht beschermen door het te laten rusten. Maar de gegevens zijn duidelijk: aangepaste lichaamsbeweging is de eerstelijnsbehandeling bij artrose en wordt aanbevolen door alle grote internationale wetenschappelijke verenigingen.
Een meta-analyse gepubliceerd in The BMJ in 2025 bevestigt dat aerobe oefeningen (wandelen, fietsen, zwemmen) het meest doeltreffend zijn om pijn te verminderen en de beweeglijkheid te verbeteren. Alle vormen van lichaamsbeweging bleken veilig: geen enkele veroorzaakte meer ongewenste effecten dan het gebrek eraan.
Bovendien heeft gebrek aan beweging een direct effect op het kraakbeen: zonder regelmatige mechanische stimulatie kunnen voedingsstoffen moeilijk in het kraakbeen doordringen, wat de afbraak ervan versnelt¹. Bewegen voedt dus het gewricht.
→ Er zijn tal van mogelijkheden tussen ‘niets doen’ en een operatie.
Er bestaan meerdere stappen tussen kinesitherapie en een operatie:
Het Stop-Artrose-onderzoek van de Artrose Stichting en de AFLAR pleit al jaren voor een multidisciplinaire aanpak om een prothese uit te stellen of te vermijden.
→ Vroegtijdige artrose neemt toe.
Vóór de leeftijd van 40 jaar neemt de prevalentie toe, met name door sportletsels en overgewicht. Ongeveer 20% van de jongeren tussen 15 en 26 jaar die vóór hun 18e een knieletsel hebben opgelopen, ontwikkelen vroegtijdige artrose. Bij sporters die een scheur in de voorste kruisband hebben gehad of een operatie aan de meniscus hebben ondergaan, is het risico op knieartrose vijf keer hoger. De vroegtijdigheid van de behandeling wordt dan de bepalende factor.
Je kent nu het nocebo-effect: negatieve overtuigingen die de pijn versterken. Maar het goede nieuws is dat het omgekeerde ook geldt.
Je ziekte beter begrijpen, je informeren over wat werkelijk mogelijk is, en je omringen met professionals zijn concrete stappen die het verloop veranderen.
Elk geval van artrose is uniek. Artrose geneest niet, maar ze kan worden behandeld. De therapeutische strategie wordt per geval bepaald, op basis van het klinische profiel. De informatie op Artrose Actief heeft een educatief doel en vervangt geen medisch advies: diagnose, keuze van behandelingen en hun aanpassing zijn uitsluitend de bevoegdheid van een zorgprofessional. Bij aanhoudende pijn of verergering van de symptomen, raadpleeg je arts.
— Dieppe P, Goldingay S, Greville-Harris M. The power and value of placebo and nocebo in painful osteoarthritis. Osteoarthritis Cartilage. 2016;24(11):1850-1857.
— OMS. Osteoarthritis Fact Sheet. https://www.who.int/news-room/fact-sheets/detail/osteoarthritis
— Safiri S, Kolahi A, Smith E, et al. Global, regional and national burden of osteoarthritis 1990-2017. Ann Rheum Dis. 2020;79:819–828.
— Dell’Isola A, Recenti F, et al. Osteoarthritis year in review 2025: Epidemiology and therapy. Osteoarthritis and Cartilage. 2025;33(11):1300-1306.
— Alentorn-Geli E, et al. The Association of Recreational and Competitive Running With Hip and Knee Osteoarthritis: A Systematic Review and Meta-analysis. J Orthop Sports Phys Ther. 2017;47(6):373–390.
— Dhillon J, et al. Effects of Running on the Development of Knee Osteoarthritis: An Updated Systematic Review. Am J Sports Med. 2023;51(5):1383–1391.
— Miller RH, et al. Why don’t most runners get knee osteoarthritis? A case for per-unit-distance loads. Med Sci Sports Exerc. 2014;46(3):572–579.
— Hawker GA, et al. Understanding the pain experience in hip and knee osteoarthritis – an OARSI/OMERACT initiative. Osteoarthritis Cartilage. 2008;16(4):415–422.
— Overton C, Nelson AE, Neogi T. Osteoarthritis Treatment Guidelines from Six Professional Societies: Similarities and Differences. Rheum Dis Clin North Am. 2022;48(3):637–657.
— BMJ 2025 (octobre). Systematic review and network meta-analysis: effectiveness of exercise for knee osteoarthritis. 217 essais, 15 684 participants.
— PMC 2025. Thick or Thin? Implications of Cartilage Architecture for Osteoarthritis Risk in Sedentary Lifestyles.
— Fondation Arthrose & AFLAR. Enquête Stop-Arthrose II (2019–2021). Prise en charge pluridisciplinaire de l’arthrose.
— La Revue du Praticien. Pourquoi de plus en plus d’arthrose chez des sujets jeunes ? (2026).
— Whittaker JL. Arthritis Research Canada. 20% des 15–26 ans blessés au genou avant 18 ans développent une arthrose précoce.
— Akyil S, et al. Association between dairy intake and multiple health outcomes: a scoping review. Eur J Clin Nutr. 2025.
— Rozenberg S, Body JJ, Bruyère O, et al. Effects of Dairy Products Consumption on Health. Calcif Tissue Int. 2016;98(1):1-17.